Door een technische storing tonen sommige pagina's niet alle inhoud. Er wordt gewerkt aan een oplossing. Onze excuses voor het ongemak.

IND 25 jaar Gerd Leers: Mijn winkel was de snoepwinkel van Wilders

Gerd Leers is sinds 1 januari 2018 waarnemend burgemeester van de gemeente Brunssum. Hij zat van 1990 tot 2002 in  de Tweede Kamer als lid van de CDA-fractie. Daarna was hij jarenlang burgemeester van Maastricht. Van 14 oktober 2010 tot 5 november 2012 was Leers  minister voor Immigratie en Asiel in het kabinet-Rutte I. Op 16 december 2011 kreeg hij daar de portefeuille Integratie bij.

In 2010 werd u aangesteld als minister zonder portefeuille voor Immigratie
en Asiel in het kabinet-Rutte I, dat slechts twee jaar geregeerd heeft. Hoe kijkt u terug op die periode?
´Een beetje met gemengde gevoelens, niet negatief hoor. Het was een uiterst moeilijke politieke periode - een gedoogconstructie met de PVV. De meeste zorg en aandacht van de PVV ging naar de portefeuille waarvoor ik gevraagd werd. Ik was minister op het terrein van migratie, die de afspraken die in het Regeerakkoord over asiel en migratie gemaakt waren zo goed mogelijk vorm moest geven. Dat Regeerakkoord was in de periode voor het aantreden van de coalitie stevig dichtgetimmerd, met harde afspraken. Noem het maar 'gestold wantrouwen'. Dat is wanneer partijen die niet vanzelfsprekende partners zijn, met elkaar moeten samenwerken. Dus was er nauwelijks ruimte in de bandbreedte van het Regeerakkoord. Als minister met nauwelijks ervaring op dit terrein, moest ik mijn weg hierin zoeken. Het was geen gemakkelijke tijd, toch ben ik er redelijk ongeschonden uitgekomen. Wat niet wegneemt dat er een aantal hele lastige dossiers waren, denk aan Mauro en de uitzonderingsgevallen.'

De media gingen zover dat ze suggereerden dat u aan de leiband liep van Geert Wilders, die als gedoogpartner het kabinet steunde. Wilders zou er zelfs op aangedrongen hebben dat u ontslagen werd…
´Ik heb dat als een compliment ervaren. Ik heb niet voor niets gezegd dat de bandbreedte binnen het Regeerakkoord zeer beperkt was. Ik moest uitvoeren wat was afgesproken. Ik begrijp dat links Nederland vond dat ik aan Wilders' leiband liep. Het was ook een redelijk streng beleid, toen zeker een trendbreuk met het verleden.  Daar kwam nog bij dat Wilders nauwelijks enige andere belangstelling had dan voor deze portefeuille. Ik zeg altijd maar: mijn winkel was de snoepwinkel van Wilders. Hij wilde daarin de rechtvaardiging vinden om mee te doen met het kabinet. Dus probeerde ik zoveel mogelijk de bandbreedte binnen de marges op te rekken, en dat beviel Wilders weer niet. Dat was de reden dat Wilders aandrong dat ik weg moest, want ik deed te weinig wat de PVV wilde. Dat heb ik als een compliment ervaren.  En wat links toen te vuur en te zwaard bestreed is nu door deze partijen volledig geaccepteerd. Een kwestie van geduld – zoals ze in Limburg zeggen –  of toch van voortschrijdend inzicht?'

Direct na uw aantreden verdedigde u in de Tweede Kamer het beleid dat Irak inmiddels veilig was en uitgeprocedeerde Irakezen terug konden keren.  Tofik Dibi van GroenLinks verweet u daarop dat u als minister een andere persoon was dan als burgemeester, die in zijn woorden ´sterk bezwaar maakte tegen het kille kijken naar de papieren werkelijkheid´. Was uw rol als minister inderdaad wezenlijk anders dan als burgemeester?
´In alle debatten heb ik vaak het compliment gekregen: ´hoe krijg je het voor elkaar die partijen steeds te verenigen´. Ik haal dit aan, om recht te doen aan wat ik geprobeerd heb. Ik ben natuurlijk een mens zoals ieder mens en ik heb mijn gevoelens. Als burgemeester heb ik mij regelmatig hard gemaakt voor mensen die het moeilijk hadden. Als minister heb je een heel andere positie en heb je een andere rol te vervullen. Je bent uitvoerder én wetgever, die beleid moet ontwikkelen, respectievelijk afspraken en wetten moet nakomen die in de Tweede Kamer aan de orde zijn.

Kijk, als burgemeester kan ik mij opwerpen als vertolker van de gevoelens van de gemeenschap, die zegt ´laat deze persoon blijven´. Dan hoef ik mij niet te bekommeren om maatregelen, regels, afspraken of mechanismen. Dat is ook mijn taak niet. Ik kan als burgemeester mijn hart laten spreken.

Als minister moet ik afwegen of ik dat mag doen, gegeven het beleid en de mogelijkheden een uitzondering te maken. Neem van mij aan dat ik op mijn kamer in Den Haag regelmatig een knoop in mijn maag, een rotgevoel had. Omdat ik aan de ene kant geconfronteerd werd met het menselijke aspect, en aan de andere kant met de harde werkelijkheid van het Haagse beleid dat consistent moest worden ingevuld.

Mag ik hieraan toevoegen dat ik in die tijd veel hulp en steun heb gehad  van de IND en van de beleidsambtenaren daar? Ik ben hier nog steeds heel dankbaar voor.  Zij waren en zijn de vertolkers van het beleid en hebben dat heel helder voor ogen.´

Uw ministerschap wordt vooral herinnerd vanwege de zaak rondom Mauro Manuel en uw optreden daarin. Als u nu terugblikt, had u dingen anders moeten doen?
´Nee. Ik had het niet anders kunnen doen. Je constateert dat er een jongeman is die al een aantal jaren in Nederland is. Mauro, en daar kan die jongen zelf misschien niets aan doen, was hier omdat hij op basis van valse of vervalste papieren illegaal was gekomen. Het is dan heel vervelend om tegen hem te zeggen ´je moet terug´. Denk je niet dat ik persoonlijk niet heb gedacht: wat maakt het uit om die ene jongen hier te laten blijven? Maar vervolgens komen er heel veel andere Mauro's die vragen of ze ook hier mogen blijven. En wat moet ik dan zeggen? Nee, u niet? Je moet in alle eerlijkheid proberen om de regels ruimhartig, met begrip voor de persoonlijke situatie, maar wel consequent en consistent te hanteren. Want anders wordt het een zooitje. 

Overigens vond ik het te gemakkelijk om de discretionaire bevoegdheid als een soort probleemoplossing voor mijzelf in te zetten. De discretionaire bevoegdheid moet juist ingezet worden voor de mensen die het betreft.´

Mauro was voer voor de media, die gretig en zonder terughouding hierover berichtten. Had u last van alle publiciteit?
´Last is niet het goede woord. Publiciteit dient ervoor om een probleem vanuit alle hoeken en gaten te belichten. Dat is nu eenmaal de rol van de pers. De media dwingen je om qua beargumentering tot de diepste diepte te gaan. Ze kunnen zaken gemakkelijk overbelichten en extra positioneren. Dat maakt het lastig, omdat je het weer tot redelijke proporties moet terugbrengen. Wat mijn portefeuille betreft, kon je het natuurlijk nooit goed doen.´

Voor IND-medewerkers is het vaak frustrerend dat individuele zaken die in de media terechtkomen, vaak eenzijdig worden belicht  en/of dat de berichtgeving feitelijke onjuistheden bevat. De IND mag echter geen uitspraken over individuele gevallen doen, waardoor het beeld niet kan worden genuanceerd. Begrijpt u die frustratie?
´Jazeker. Ik ben ervan overtuigd dat veel IND´ers met goede bedoelingen, om de minister zo goed mogelijk te helpen, in feite hun argumenten uit handen wordt geslagen. Omdat er een verkeerde beeldvorming ontstaat, en niet alle argumenten op een eerlijke manier worden gewogen. Maar dat is een fact of life. Op het moment zelf baal je ervan. Als je daarna terugkijkt denk je ´het is zoals het is.´

Wat zou u tegen IND-medewerkers willen zeggen?
´Ik heb groot respect voor de vakbekwaamheid van de mensen, maar ook voor de IND´ers als persoon die ik heb mogen ontmoeten. Ik heb respect voor de manier waarop zij hun werk doen. Ik vind de IND nog steeds een organisatie die trots op zichzelf mag zijn. Omdat de IND in de loop der jaren altijd zo goed mogelijk invulling heeft gegeven aan een voor Nederland heel lastig en kwetsbaar beleid.´