IND 25 jaar- Rita Verdonk: 'Dit werk laat je nooit meer los’

​Het werk van de IND ligt voortdurend onder het vergrootglas van de maatschappij. Te streng of juist te soepel: de meningen over het vreemdelingenbeleid lopen ver uiteen. Hoe ver die polarisatie kan gaan, ondervond voormalig minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk aan den lijve. Tegelijkertijd stond zij aan de wieg van grote hervormingen bij de IND. Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de IND blikt zij terug op deze periode.

portretfoto Rita Verdonk

Het vreemdelingenterrein was relatief nieuw voor u. Wat wilde u in ieder geval bereiken?
'Ik had bij KPMG al te maken gehad met dit werkterrein, doordat ik betrokken was bij het AMA-project. Ik kende de spelers in het veld dus al en de vele gevoeligheden. In de uitvoering van mijn ministerschap had ik natuurlijk te maken met het regeerakkoord. Daar zat genoeg in waar ik me in kon vinden. Zoals het op de kaart zetten van terugkeer en het werk maken van inburgering. En ook al werk ik niet meer in het vreemdelingendomein, ik voel me er nog steeds bij betrokken. Dit werk laat je nooit meer los.'

Bij uw aantreden stuitte u meteen op een enorme stapel '14-1-brieven': verzoeken van vreemdelingen om nog eens naar hun individuele zaak te kijken. Deze brieven waren het gevolg van een toezegging door uw voorganger, minister Nawijn. Hoe was dat voor u?
'Erg hectisch. Maar het was gelijk een mooi leermoment: je moet uitkijken met wat je belooft. Ik zag direct dat dit grote gevolgen voor de uitvoering had, maar natuurlijk moesten we die belofte wel nakomen. Gelukkig werkte ik in een goed team en hebben we die klus samen aangepakt. Maar er is voor de IND heel veel werk in gaan zitten. Ik nam me meteen voor dit soort beloftes te vermijden.'

U voerde de inburgeringswet in. Wat wilde u daarmee bereiken?
'Ik wilde vreemdelingen een betere basis geven om te integreren in Nederland. Als je mee wilt draaien in de samenleving, moet je Nederlands spreken. Dat is nu heel normaal om te zeggen, maar in die tijd kon dat nog niet. Veel mensen vonden vreemdelingen vooral zielig, maar ik vond en vind dat je mensen best mag aanspreken op hun verantwoordelijkheden, net zoals zij de overheid mogen aanspreken op haar verantwoordelijkheden. Uiteindelijk werd de wet aangenomen met maar één tegenstem; dat zal ik me altijd blijven herinneren.'

Als minister was u ook verantwoordelijk voor de IND. In uw regeerperiode verscheen er een kritisch rapport van de Algemene Rekenkamer over het functioneren van de IND. Wat dacht u toen u dat rapport las?
'Daar was natuurlijk een heel traject aan vooraf gegaan. Er waren heel erg veel problemen bij de IND en in de Kamer moest ik daar veel debatten over voeren. Ook bij de Ombudsman stond de IND altijd ergens bovenaan in het lijstje van slecht scorende organisaties. Met toenmalig hoofddirecteur Peter Veld sprak ik af dat we dan ook maar echt met de billen bloot moesten en een onderzoek door de Algemene Rekenkamer zouden laten uitvoeren. In de Kamer gaf ik aan dat we de Algemene Rekenkamer hadden ingeschakeld en vroeg ik de Kamerleden tijdelijk te stoppen met vragen stellen om de IND de kans te geven mee te werken aan het onderzoek en aan verbetering.
Toen ik het uiteindelijke rapport las, viel dat inderdaad niet mee. Toch ben ik blij dat we dit gedaan hebben: het was een kwestie van door de zure appel heen bijten en sindsdien is er veel veranderd bij de IND. Het was het begin van de cultuuromslag die nodig was.'

Tijdens uw ministerschap vond ook de Schipholbrand plaats. Hoe was dat voor u?
'Afschuwelijk. Minister Donner en ik kregen een telefoontje over wat er gebeurd was. We zijn meteen in de auto gestapt en erheen gegaan. Wat we aantroffen was vreselijk, ik zag beveiligingsmedewerkers met verbrande handen, je rook de brandlucht en zag het leed van al die mensen. Natuurlijk voelde ik me verantwoordelijk voor wat er gebeurd was. Ik heb toen gezegd dat medewerkers naar omstandigheden adequaat gehandeld hadden. Dat 'naar omstandigheden' verdween in de media en er volgde meteen een Kamerdebat. Maar het blijft heel erg wat er gebeurd is. Voor gedetineerden, nabestaanden en medewerkers.'

In ons werk krijgen we vaak te maken met individuele vreemdelingen die met hun verhaal in de media komen, waarna heel Nederland er een mening over heeft. U maakte dat ook mee, zoals bij de Servisch-Kosovaarse studente Taida Pasic die vlak voor haar eindexamen Nederland moest verlaten. 
'Er is wat dat betreft niets veranderd. In zo'n situatie komt één kind in de schijnwerpers te staan met een persoonlijk verhaal. Daar zitten natuurlijk meerdere kanten aan, maar dat weten mensen niet. In de Kamer werd er ook vaak op de man gespeeld: alsof ik persoonlijk iemand terug wilde sturen. 'Wilt u dit kind zijn toekomst ontnemen?', hoorde ik dan. De uitingen in de maatschappij gingen soms heel ver: er verschenen kwetsende spotprenten, er hingen spandoeken met leuzen aan gebouwen, er werden vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog gemaakt, dat heeft me allemaal erg geraakt. Twee keer heb ik een brief gekregen van voormalig staatssecretaris Schmitz om me een hart onder de riem te steken. Dat heeft me veel steun gegeven. Maar tegelijkertijd sta je daar toch maar in je eentje in de Kamer achter die katheder.'

Ook IND'ers vinden het lastig om hiermee om te gaan. Wat zou u tegen hen willen zeggen?
'Als oud-minister kan ik alleen maar zeggen dat ik veel respect heb voor het moeilijke werk dat IND'ers doen. Ik heb in die tijd gehoren bijgewoond om een beeld te krijgen van het werk en ik heb gezien hoe zwaar dat is. Als ik ergens in het land moest uitleggen dat iemand niet kon blijven, heb ik vaak gedacht aan medewerkers van de IND, die dat dagelijks moeten doen. Voor mij was dat een reden om, hoe moeilijk het ook vaak was, geen toezeggingen of valse beloftes te doen; als IND'ers dit moeten en kunnen, kan ik niet achterblijven. Ik heb gezien dat IND'ers vaak al lang bij de organisatie werken, daarin herken ik hun betrokkenheid en die waardeer ik -nog steeds- bijzonder.'

Delen