Nederland geen vluchthaven voor plegers van oorlogsmisdaden

​​Met de ondertekening van het VN-vluchtelingenverdrag heeft Nederland zich eraan verbonden om bescherming te bieden aan personen die hun land ontvlucht zijn vanwege (vrees voor) vervolging.

Nederland geen vluchthaven
Er zijn echter onder hen ook personen die ervan verdacht worden dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden of misdaden tegen de menselijkheid.
 
"Ze zetten mij op een ton en bonden een touw om mijn polsen. Vervolgens trapten ze de ton om. Er was niets meer onder mijn voeten, ze bungelden in de lucht. Toen brachten ze drie stokken... ze sloegen me overal... Nadat ze klaar waren met me te slaan met deze houten stokken, pakten ze sigaretten. Ze drukten die uit over mijn hele lichaam. Het voelde alsof mijn lichaam met een mes ontleed werd, of ik aan stukjes werd gesneden.”
(Amnesty International: ‘It breaks the human. Torture, disease and death in Syria’s prisons’)

We weten allemaal dat er mensen zijn die andere mensen dergelijke verschrikkelijke dingen aandoen. Het zijn misdaden die we scharen onder artikel 1F van het VN-vluchtelingenverdrag.  Personen die ervan verdacht worden dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden of misdaden tegen de menselijkheid, kunnen op grond van artikel 1F uitgesloten worden van bescherming van het Vluchtelingenverdrag.

Over welke misdaden hebben we het precies?

Bij artikel 1F gaat het om oorlogsmisdaden, misdaden tegen de vrede of misdaden tegen de menselijkheid. Ook ernstige andere misdaden zoals moord, verkrachting en drugshandel, kunnen een reden zijn om een persoon uit te sluiten van bescherming van het VN-vluchtelingenverdrag. Tenslotte vallen ook handelingen in strijd met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties onder artikel 1F. Enkele landen waaruit zogenoemde ‘1F-ers’ afkomstig zijn, zijn Rwanda, Afghanistan, Irak en voormalig Joegoslavië.

Bescherming is voor de slachtoffers, niet voor de daders

De Nederlandse overheid wil geen vluchthaven zijn voor oorlogsmisdadigers of plegers van andere internationale misdrijven. Daarom onderzoekt de IND bij signalen daarvan of artikel 1F van toepassing is. Het mag niet zo zijn dat slachtoffers aan wie bescherming is geboden zich alsnog onveilig voelen door aanwezigheid in Nederland van diegenen, die er juist verantwoordelijk voor zijn dat zij huis en haard moesten ontvluchten.

Wanneer doen we onderzoek?

We doen onderzoek op basis van signalen die we ontvangen. Denk bijvoorbeeld aan informatie die wordt verkregen uit het asielverhaal dat de vreemdeling aan de IND medewerker vertelt.
 
Een voormalig medewerker van de Afghaanse Staatsveiligheidsdienst tijdens zijn gehoor:
“Er werden natuurlijk wel mensen mishandeld tijdens verhoren...”
“Ik was natuurlijk ook verantwoordelijk voor deze mishandelingen, maar zo gaat dat in Afghanistan...”
“Ik kon mij niet anders opstellen. Dat werd van mij verwacht en verlangd. Als je hier niet in mee gaat, kun je nooit een hoge positie bereiken”.

Het moet natuurlijk gaan om serieuze signalen. Want om nader onderzoek te doen naar een persoon die in Nederland asiel heeft aangevraagd of al in het bezit is van een verblijfsstatus moeten er volgens het Vluchtelingenverdrag ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat die persoon zich schuldig heeft gemaakt aan de hierboven genoemde misdaden.
Je kunt dan denken aan militairen die een bepaalde positie hebben bekleed binnen een organisatie, die erom bekend staat dat deze mensenrechten heeft geschonden of oorlogsmisdrijven heeft gepleegd. Of aan medewerkers van detentiecentra waar gemarteld werd. Maar het kan ook een arts zijn die meegewerkt heeft aan de uitvoering van bepaalde martelingen.

Hoe voert de IND onderzoek uit?

In de unit 1F van de IND werken speciaal hiervoor opgeleide medewerkers. Zij kunnen een  vreemdeling vragen stellen over aspecten die wijzen op betrokkenheid bij internationale misdrijven. Heeft de vreemdeling geweten van de misdrijven, of heeft hij deze zelf uitgevoerd of helpen uitvoeren? De informatie die zo wordt verzameld wordt afgezet tegen andere beschikbare informatie, uit openbare bronnen (bijvoorbeeld rapporten van Human Rights Watch) of ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Als alle feiten, omstandigheden en verklaringen grondig zijn gewogen wordt besloten of de vreemdeling artikel 1F wel of niet wordt tegengeworpen.

En dan...

Als de IND tot de conclusie komt dat de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor internationale misdrijven, dan wordt de asielaanvraag altijd afgewezen. De vreemdeling wordt daarmee verplicht om Nederland te verlaten. Ook kan een al verleende verblijfsvergunning worden ingetrokken, een naturalisatieverzoek worden afgewezen of kan het Nederlanderschap worden ontnomen. De vreemdeling kan in beroep gaan tegen deze beslissing. Het is dan aan de rechter om uit te spreken of de beslissing van de IND terecht was.

Waarom soms tóch blijven?

Het kan zijn dat terugsturen van een 1F-er naar zijn herkomstland ernstig gevaar voor hem kan opleveren. In dat geval mag hij niet door Nederland gedwongen worden uitgezet. Dit betekent overigens niet dat de 1F-er een verblijfsvergunning krijgt. Dat gebeurt alleen in zeer uitzonderlijke gevallen.

Betekent het tegenwerpen van artikel 1F ook strafrechtelijke vervolging?

Het gevolg van toepassing van artikel 1F is alléén dat de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning (of om Nederlander te worden) wordt afgewezen, of dat zijn verblijfsvergunning of Nederlanderschap door de IND wordt ingetrokken. Deze zogenoemde bestuursrechtelijke procedure staat los van een eventuele beslissing om de vreemdeling strafrechtelijk te vervolgen.

Wel is het zo dat als er sprake is van toepassing van artikel 1F in een zaak, de IND het Openbaar Ministerie (OM) daarover informeert. Dit betekent echter niet dat in die zaak automatisch een strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld. Dit hangt af van talloze juridische en praktische factoren, zoals juridische obstakels, beschikbaarheid van getuigen, veiligheid van getuigen, veiligheid van Nederlands politie- en justitiepersoneel etc.

Delen