IND 25 jaar - Dick Schoof: ‘De IND blijft een onderdeel van mij’

​Toen Dick Schoof in 1999 gevraagd werd om hoofddirecteur van de IND te worden, stond hij niet meteen te juichen. Er moest enige overredingskracht worden gebruikt om hem te overtuigen, maar spijt heeft hij nooit gehad. Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de IND, blikt hij op deze periode terug: 'Het is een van de leukste banen die ik ooit gehad heb.'

25_jaar -Dick_Schoof_content.jpg
Wat maakte dat u met enige reserves naar de IND keek?
'Ik werkte in die tijd als plaatsvervangend secretaris-generaal bij het ministerie van Justitie. In die hoedanigheid had ik ook met de vreemdelingenketen te maken. Het was een tijd van hoge instroom, de asielopvang zat vol en er waren flinke achterstanden. Ik zag dat Lucas Elting, mijn voorganger, er een flinke taak aan had. Dat leek me erg zwaar. Maar tegelijkertijd is het vreemdelingenveld een interessant terrein; ik was bijvoorbeeld erg benieuwd hoe al die organisaties in de keten elkaar beïnvloedden. Ik zei dus 'ja' met enige aarzeling, maar het bleek een goede beslissing te zijn. Ik heb er geen dag spijt van gehad.'

Hoe trof u de IND aan bij uw komst?
'Het was een heel andere tijd dan nu. De IND was toen ook nog belast met taken als grensbewaking en terugkeer. Er lag een stevig accent op asiel en er was veel te doen. Medewerkers werkten met hart en ziel, maar er was weinig administratief geregeld en veel ruimte voor eigen inbreng. Onze procedures waren ook niet op orde: vreemdelingen konden eindeloos procederen en ook onze eigen procedures duurden lang. Doordat ik niet uit het vreemdelingenveld kwam, kon ik goed naar het proces kijken. Mijn eerste doel was om de procedures korter te maken en professionaliteit voorop te stellen. Toen de nieuwe Vreemdelingenwet in 2001 werd ingevoerd, dreigden we daarin te verdrinken. Toen hebben we, na een korte en intense discussie in het MT, ingegrepen: ik wilde af van de dominante regiokantoren en op weg naar een proces-gestuurde organisatie. Op die manier kon het asielproces integraal worden gemonitord en gestuurd, maar  voor een proces als regulier gold dat ook. In de nieuwe opzet hebben we veel aandacht besteed aan de AC-procedure; die duurde 48 uur en daarin werden de kansloze asielzaken afgedaan. Zo bleef er tijd over voor ingewikkelde zaken. Ik heb altijd gezegd: wat bijzonder is, moet je apart houden. Maar niet alles is bijzonder.'

In uw tijd werd ook het Kennis en Leercentrum (KLC) in Utrecht opgericht. Wat wilde u daarmee bereiken?
'Doordat we kampten met een capaciteitstekort, moesten er in korte tijd veel mensen worden aangenomen. Door die grote werkvoorraden stond de kwaliteit van onze medewerkers onder druk en nieuwe collega's werden razendsnel ingewerkt en in het diepe gegooid. Dat kon beter. We wilden nieuwe medewerkers een gedegen opleiding geven en wie kan dat nou beter verzorgen dan wijzelf? Onze eigen mensen kennen het werk het beste. Zij kunnen als geen ander het vak aanleren. Dus werden er bijvoorbeeld beslisbomen gemaakt, die tot dan toe niet bestonden. Er was tot op dat moment relatief veel ruimte geweest voor eigen interpretatie, maar als je wil dat je beslissingen standhouden voor de rechtbank, kan dat niet. Ik wilde toetsbare beslissingen, want iedere vreemdeling die we afwezen, ging in beroep. En iedere vreemdeling die we inwilligden, schiep een precedent. We moesten zorgen dat we sterk stonden. Tegelijkertijd moest er wel professionele beslisruimte blijven.'

Er was duidelijk werk aan de winkel, want in die jaren scoorden we steevast heel slecht bij de Ombudsman. Hoe vond u dat?
'Dat was erg! De IND was zo overbelast, onze procedures zo verstopt; het was moeilijk om daar aandacht voor te vragen. En dan waren er ook klachten die te maken hadden met onze bejegening. Dat vond ik lastig: asielzoekers vertelden in hun vluchtverhaal lang niet altijd de waarheid. Dat wisten IND'ers natuurlijk ook. Tegelijkertijd moet je mensen onbevangen tegemoet treden. Wij vertegenwoordigen de Nederlandse overheid en vreemdelingen zien ons ook als zodanig, terwijl ze in hun land van herkomst niet perse goede ervaringen hebben met de autoriteiten. Als IND'er moet je je daarvan bewust zijn. We hebben daarom ook ingezet op het bejegeningsaspect in het primair proces en volgens mij zijn we daar heel goed in geslaagd.'

Onder uw leiding werd ook de unit 1F opgericht, een afdeling die zich bezighoudt met oorlogsmisdaden. Had u in die tijd al affiniteit met dit soort thema's?
'Vrij Nederland had er een stevig artikel over gepubliceerd. Dat ging over Afghaanse oorlogsmisdadigers die in Nederland een verblijfsvergunning hadden en hier in aanraking kwamen met hun voormalige slachtoffers. Er was grote politieke en maatschappelijke druk om hier iets aan te doen, en dat werd ondergebracht in de unit 1F. Het waren gecompliceerde zaken en ik vond het belangrijk dat we hier iets mee deden. Maar ook toen al liepen we er tegenaan dat je weliswaar een verblijfsvergunning in kunt trekken, maar iemand uitzetten is veel minder eenvoudig. Dus wat moet je dan? De frustratie daarover bij medewerkers was groot. Het is een situatie waarin het resultaat dan misschien teleurstellend is, maar waarin er wel recht is gedaan. Als IND hebben we gedaan wat we konden, maar de bewijslast in het strafrecht is nog veel groter.'

Volgt u ons werk nog?
'Zeker. Het blijft me boeien, het is een onderdeel van mij. Maar natuurlijk is er veel veranderd, ook bij de IND en in de vreemdelingenketen.'

Wat zou u willen zeggen tegen IND'ers?
'Jullie mogen trots zijn op jullie werk. Ik weet dat er ook nu nog IND'ers zijn die niet op een feestje durven te zeggen dat ze bij de IND werken. Dat vind ik echt erg. Ondanks alle kritiek vanuit de maatschappij werken IND'ers professioneel en met hart voor de publieke zaak. Zij werken vaak onder moeilijke omstandigheden, maar doen dat naar eer en geweten. Met respect voor mensen en voor de wet. Dat is het belangrijkste wat er is.' 

Delen