IND 25 jaar: Onze Klant – De asielzoeker

Wie zijn de mensen met wie wij in ons werk te maken krijgen? Waarom hebben zij hun land verlaten? En hoe ziet hun leven er in Nederland uit? In de reeks over 25 jaar IND besteden we aandacht aan de verhalen van onze klanten. Met Miro Rehak (53), die in 1994 uit Bosnië naar Nederland is gevlucht, bijten we het spits af.

​Miro: 'Ik ben opgegroeid in Breza, een kleine stad op 25 kilometer afstand van Sarajevo en heb daar een leuke jeugd gehad. Er wordt vaak gezegd dat het communistisch was en dus niet vrij, maar je kon er doen en laten wat je wilde. Mensen waren bijvoorbeeld vrij om hun geloof uit te oefenen. Mijn vader was Rooms-Katholiek, mijn moeder Servisch-Orthodox. Wel gold in mijn land dat als je carrière wilde maken, je lid moest zijn van de Communistische partij. Wij waren geen lid.

Na mijn middelbare school ging ik in Sarajevo diergeneeskunde studeren. Nadat ik met mijn studie gestopt was, ben ik naar de Pedagogische Academie gegaan. Wisselend heb ik daarna als dierenartsassistent en onderwijzer gewerkt. Ik had een grote hobby, namelijk het fokken van Duitse herders. Mijn ouders hadden een grote tuin waar ik de honden kon houden. Behalve het fokken ging ik met ze naar hondenshows toe. Daar heb ik een aantal prijzen gewonnen.

Na het uitbreken van de oorlog in Slovenië hadden wij en de meeste mensen in onze omgeving het gevoel dat dat niet bij ons zou gebeuren. Maar het gebeurde dus wel. Veel mensen vertrokken en er kwamen veel mensen met een andere achtergrond voor in de plaats. Er ontstond een sfeer van onveiligheid en bedruktheid. We hadden het gevoel dat we een keuze moesten maken om te blijven of weg te gaan. Er vielen bommen. Omdat ik onderwijzer was, was ik vrijgesteld van militaire dienstplicht. Maar steeds werd ik onverwachts aangehouden. Dan moest ik  klussen voor het leger doen, zoals het aanleggen van loopgraven in de bergen.  Ik herinner het mij als een enorm onzekere periode, je kon echt geen kant op.

Mijn ouders wilden niet weg. Ik besloot dat wel te doen. En ik wilde zo ver mogelijk weg, naar Australië of Nieuw-Zeeland, om nooit meer naar Bosnië terug te keren. Uiteindelijk ben ik in 1994 in Nederland terechtgekomen. Daar werd ik in het plaatsje Best in Brabant opgevangen.

Ik herinner mij nog goed mijn interview bij de IND en de man die het gesprek met mij voerde. De tolk was een Albanees, wiens Servo-Kroatisch niet zo goed was. Ik moest hem steeds helpen om dingen te begrijpen. Dat vond ik wel bijzonder. De IND-medewerker stelde heel veel vragen. Hoe, wat, waarom? Ik weet ook nog dat tijdens het gesprek er steeds gedachten bij mij opkwamen: zou wat ik vertelde invloed kunnen hebben? Moet ik dit wel of niet vertellen? Mijn motto is dat eerlijkheid uiteindelijk het langste duurt. Uiteindelijk kreeg ik niet de asielstatus, maar een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv/red.) Ik mocht dus blijven.

Na enkele maanden in Best vertrok ik naar de opvang in jeugdherberg Rhijnauwen. Daarna ben ik nog naar Burgum en Gouda verhuisd. Tussentijds moest ik me bij het AZC in Roermond melden. Daar werden wij door een aantal andere asielzoekers vijandig begroet. Ik heb toen gezegd dat ik me daar niet veilig voelde en ben op eigen gelegenheid weggegaan.

In Nederland had ik een groot gevoel van veiligheid. Ondanks dat ik in asielzoekerscentra moest wonen en we eigenlijk niets mochten doen, besloot ik er maar het beste van te maken. Ik hield mezelf voor dat die situatie niet lang zou duren - ik moest volhouden. Ik ben gestart met het mijzelf aanleren van het Nederlands. Eerst heb ik een Engelstalig boekje 'Dutch in three months' in het Servo-Kroatisch vertaald en dat hielp mij daarbij. Ook ging ik geregeld op zondag naar de kerk. Met de gebeden in het misboekje kon ik mijn uitspraak oefenen.  

Met mijn verblijfsvergunning mocht ik niet werken of een opleiding volgen. Om iets te doen te hebben, ben ik als vrijwilliger bij een dierenarts gaan werken. Ook hielp ik vrijwillig boeren in de omgeving met het werk op het land. Je had zo contact met mensen en het was er gezellig. Ondanks de taalbarrière wilden mensen graag met me praten. Toen ik wel mocht studeren, ben ik in deeltijd een studie HBO-verpleegkunde gaan doen. Het andere deel werkte ik in het ziekenhuis. Ik werk nu alweer jaren als geriatrisch verpleegkundige in een ziekenhuis in mijn woonplaats Leiden.

Eind 1995 heb ik hier mijn huidige vrouw, die uit Servië kwam, ontmoet. De prognose voor ons als stel met deze verschillende achtergronden was volgens een aantal mensen in onze omgeving  slecht. We kregen reacties als 'dit houdt geen stand'. Gelukkig is het voor ons nooit een probleem geweest. We zijn zoveel jaar later nog samen en hebben twee kinderen, een zoon en dochter.

Mijn moeder leeft nog en woont in Zenica, mijn vader is in 2013 overleden. Ik ben zelf verschillende keren in Bosnië teruggeweest. De eerste keer was eind jaren negentig. Het voelde toen heel vreemd om daar te zijn. De sfeer was bedrukt en ik had, om met de beroemde schrijver en Nobelprijswinnaar Ivo Andric (schrijver van 'De brug over de Drina'/red.) te spreken, het gevoel een donkere wereld binnen te stappen. Dat is in Nederland heel anders: ik voel mij hier volkomen thuis.'

Delen