• Home
  • Over IND
  • Verhalen
  • IND 25 jaar - Nebahat Albayrak: ‘De professionaliteit van IND’ers heb ik zeer bewonderd’

IND 25 jaar - Nebahat Albayrak: ‘De professionaliteit van IND’ers heb ik zeer bewonderd’

Drie jaar lang was Nebahat Albayrak staatssecretaris van Justitie in het kabinet-Balkenende IV (2007-2010) met asiel en migratie in haar portefeuille.

In haar bestuurlijke periode kwam onder meer de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (Ranov) tot stand. Ook werd het wetsvoorstel Modern migratiebeleid ingediend. Nebahat Albayrak verliet in 2012 de politiek om voor Shell te gaan werken.

Nebahat Albayrak

Volgt u de onderwerpen asiel, migratie en integratie nog?
'Op hoofdlijnen, dus wat iedereen via het nieuws meekrijgt. Ik zit nu letterlijk en figuurlijk in een heel andere wereld. Soms heb ik er ook praktisch geen tijd voor.'

Uw toenmalige portefeuille asiel en migratie wordt gezien als een van de lastigste.  Het wordt niet voor niets de hoofdpijnportefeuille genoemd. Hoe heeft u dit zelf ervaren?
'Natuurlijk raak je emotioneel betrokken bij dit dossier. Het gaat tenslotte om mensen. Mensen beschermen die bescherming nodig hebben, maar ook hard zijn naar mensen die misbruik maken. Zo zwart-wit is de realiteit natuurlijk nooit. Je hebt een groot grijs gebied, en daarin probeer je naar eer en geweten te doen wat juist is. Eerlijk gezegd heb ik er eigenlijk nooit wakker van gelegen. Want ik geloofde in de redelijkheid van het beleid. Samen met toenmalig minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin heb ik veel tijd geïnvesteerd in het gesprek over hoe we de rol van Justitie zagen in het ordenen van Nederland. We praatten over hoe we het toelatingsbeleid wilden vormgeven en welke criteria we zouden moeten hanteren. Zelf zou ik het een 'gedepolitiseerde' aanpak op het departement willen noemen. Het ging om impact, om rechtvaardigheid, maar ook om doorpakken. Niet alleen woorden, maar ook daden. Daarmee komt misschien het Rotterdamse in mij boven.'

Het is een beleidsterrein dat nare bijeffecten kan hebben. Toen u zich voor uw staatssecretarisschap als Kamerlid bezighield met asielbeleid, moest u vanwege doodsbedreigingen enige tijd beveiligd worden. Hoe voelde dat voor u?
'Ik heb er alles aan gedaan om dat zolang mogelijk uit de media te houden, om het geen onderwerp van media aandacht te laten worden. Allereerst omdat mijn zorg uitging naar de mensen die mij liefhebben. Mijn ouders leefden toen nog en ik wist zeker dat zij dit niet zouden kunnen relativeren. Ik kon dat wel. Daarnaast is het moeilijk inschatten hoe serieus zo'n dreiging is en welk effect publiciteit op mijn veiligheid zou hebben. Gelukkig had ik ontzettend professionele mensen om mij heen die ervoor zorgden dat ik gewoon mijn werk kon blijven doen.'

Uw eerste wapenfeit als staatssecretaris van Justitie was de uitvoering van een Generaal Pardon (Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet) dat ertoe leidde dat uiteindelijk ruimt 27.000 vreemdelingen een pardonvergunning kregen. Hoe kijkt u terug op de uitvoering daarvan?
'Ik ben het een en ander vergeten, maar dit vergeet ik nooit. Vriend en vijand moesten toegeven dat het een groot succes was. Het begon ermee dat er een serieus maatschappelijk probleem lag, als bijkomstigheid van de Vreemdelingenwet 2000. Dat probleem werd steeds hardnekkiger. Omdat ik zowel het ontstaan alsook de uitvoering van de nieuwe vreemdelingenwet van dichtbij had meegemaakt, was ik er ook echt van overtuigd dat er een maatschappelijk probleem was. Met de acceptatie van een pardonregeling kregen we de kans om dit voor eens en altijd op te lossen.'

U spreekt over een 'voor eens en altijd-oplossing'. Toch zie je telkens weer dat men vindt dat er mensen buiten de boot vallen en dat dan de roep om een nieuw pardon klinkt…
'Maar niet met dit pardon. Er is nooit een groep ontstaan die na afloop van deze regeling zei "we gaan ons nu organiseren want er is een te grote groep die nog steeds  onrecht wordt aangedaan". Uitzonderingen daargelaten, denk ik dat de uitvoering van dit pardon een schoolvoorbeeld is van effectiviteit. Waar we uiteindelijk naar zochten, is hoe je maximaal ruimhartig kunt zijn naar al die mensen die de doelgroep vormen, dus waarvoor de regeling bedoeld is, zonder dat je de poorten voor misbruik openzet. Dat was de ultieme uitdaging.  Er waren bij de voorbereiding twee potentiële problemen gesignaleerd. Allereerst was er de angst dat het systeem overspoeld zou worden met onterechte aanvragen, bijvoorbeeld van mensen uit naburige landen. Ook was men beducht voor te ruimhartige criteria, waardoor misschien ook mensen die niet onder de doelgroep vielen, onder de regeling zouden gaan vallen. Van een aanzuigende werking is uiteindelijk niets gebleken. Ik denk dat dit te maken had met de helderheid van de criteria. Want je moest met stevig bewijs komen dat je hier al voor 2000 verbleef. Doorslaggevend voor het succes is de samenwerking met de gemeenten geweest. Zij kregen een cruciale rol toebedeeld in het leveren van bewijs dat mensen hier bekend waren. Wij vanuit het departement en de uitvoering keken daarbij mee. Ook noem ik als reden voor het succes van het pardon de massieve betrokkenheid vanuit de IND. Daar zat de kennis, zij kenden de feiten. Maar ook de frustraties, omdat IND-medewerkers dossiers al talloze malen in handen hadden gehad en nee hadden gezegd. Zij moesten die dossiers toch weer selecteren, om dan te constateren dat de mensen onder het pardon vielen. Ik begreep heel goed dat niet iedereen bij de IND daar blij mee was. De professionaliteit van IND-medewerkers hierin heb ik zeer bewonderd.'

U heeft het wetsvoorstel Modern Migratiebeleid ingediend om via deze wet actief de komst en het verblijf van onder meer kennismigranten, studenten en wetenschappelijk onderzoekers te bevorderen. Kunt u daar iets meer over vertellen?
'De sfeer rondom het toelatingsbeleid in de decennia daarvoor werd sterk bepaald door de gedachte dat het alleen maar om streng, strenger, strengst, moest gaan – zonder aanzien des persoons. Er leek maar een doel en dat was dat de deur op slot ging. Dat denken heeft Nederland tekortgedaan. Want we maakten het ook voor de mensen die we graag wilden hebben moeilijk om hiernaartoe te komen. We wilden een toelatingsbeleid dat selectiever en sneller was, met duidelijke criteria en heldere procedures. Het kabinet was ervan overtuigd dat dit goed voor Nederland was. Dus niet de weg afsnijden voor kennis en vaardigheden, maar migranten toelaten die bij kunnen dragen aan de economische vooruitgang van Nederland.'

De IND was anderhalf jaar voor uw aantreden gestart met een ambitieus vernieuwingsprogramma na een kritisch rapport van de Algemene Rekenkamer. Heeft u de IND zien veranderen?
'Jazeker. Peter Veld als toenmalig hoofddirecteur heeft daar zijn stempel op gedrukt. Het ging natuurlijk over dienstverlening aan de klant, over bejegening, doorlooptijden, bereikbaarheid. Het kon ook niet, zoals de Nationale Ombudsman constateerde, dat de telefoon niet werd opgenomen of dat mensen lang in het duister moesten tasten waar in de procedure zij zaten. Daarin heeft de IND toen flinke stappen gezet en daar ook publiekelijk erkenning voor gekregen.'

Wat zou u willen zeggen tegen IND'ers?
'Ik heb de IND nooit gezien als een fabriek, maar als een organisatie waar mensen werken. Alle emoties die in de maatschappij spelen, leven ook onder IND'ers. Ik heb hiervoor al de frustraties genoemd die ontstonden als IND'ers keer op keer zaken beoordeeld en negatief beslist hadden, en de politiek daarna toch besloot dat het anders moest. Ik ben ervan overtuigd dat wat er buiten de IND speelt bespreekbaar gemaakt moet worden met de IND. Daardoor behoud je draagvlak en vertrouwen. Sterker nog, de uitvoering wordt uiteindelijk beter wanneer je de mensen in je beslissingen meeneemt.'